woensdag 2 november 2011

Bestuursrecht werkgroepen

Werkgroep 8

Bestuursrechtelijke rechtsvinding

Vraag 1.
a. Op grond van welke redenering verklaart de Afdeling bestuursrechtspraak het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om wijziging van de Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995 ongegrond?
b. Welke interpretatiemethoden hanteert de Afdeling daarbij?
c. Leg aan de hand van deze uitspraak uit wat het specialiteitsbeginsel inhoudt.

Vraag 2.
a. In deze uitspraak bepleit de advocaat van de appellant (in r.o. 2.2) dat de minister de bevoegdheid tot inbewaringstelling niet aan de hulpofficier van justitie had mogen mandateren, omdat dit met name in strijd zou zijn met artikel 1.4 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De advocaat baseert zich daarbij op een a contrario-redenering. Schrijft uit hoe die redenering er in dit geval uit zou kunnen zien.
b. Waarom verwerpt de Afdeling die redenering?
c. Wordt dit type redenering verder vaak gebruikt in het (bestuurs)recht?
d. Is de Minister van Justitie bevoegd het verlenen van verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd (art. 14, lid 1 Vreemdelingenwet) te mandateren aan het Hoofd van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND)?

Vraag 3.
a. Welke deelvragen moeten worden beantwoord bij beantwoording van de vraag of de stichting belanghebbende was?
b. Welke deelvraag wordt door de ABRS anders beantwoord dan door de burgemeester?
c. Wat is de redenering van de ABRS en wat is kennelijk de redenering van de burgemeester geweest?

Vraag 4.
a. Is bij de beantwoording van deze vraag sprake van een makkelijk of van een moeilijk geval?
b. Welke interpretatiemethode hanteren de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak bij de beantwoording van deze vraag?
c. Tot welke conclusie leidt de redenering van de rechtbank en tot welke conclusie leidt de redenering van de Afdeling?

Vraag 5
Komt de burgemeester aan een belangenafweging toe als geen sprake is van 'aanverwante dienstverlening'?

Vraag 6
a. Waarom moet de vraag of sprake is van 'onaanvaardbare overlast' nog aan de orde komen, nadat is uitgemaakt dat de seksautomatenhal is aan te merken als 'aanverwante dienstverlening'?
b. Op grond van welke redenering komt de Afdeling tot de conclusie dat het betoog van de omwonenden dat sprake zou zijn van onaanvaardbare overlast niet leidt tot het oordeel dat de burgemeester zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de genoemde weigeringsgronden zich in casu niet voordoen.
c. Bent u het met deze redenering eens?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten